Fictie : Verdwaald

VERDWAALDHet is doodstil in de krappe vergaderruimte. Alleen een thermoskan maakt een zacht, fluitend geluid. Er wordt een klap op gegeven.
‘Wil iemand reageren?’
Floris Duinmeier knikt naar een organigram op het projectiescherm.
Niemand van de aanwezigen zegt iets. Een enkeling maakt aantekeningen.
‘Misschien hebben jullie de tijd nodig deze boodschap tot je door te laten dringen. Ik hou daarom even mijn mond’.
Duinmeier gaat zitten. Hij kijkt naar de bleke gezichten van zijn Unitleiders. Die hoorden zojuist dat vier van de vijf functies opgeheven worden en mensen naar een andere baan uit moeten kijken.
Frans, een OR-lid die een zekere status heeft, schraapt zijn keel.
‘Floris, mag ik even?’
‘Shoot! Natuurlijk! Ga je gang!’
‘Wat dat outplacement traject betreft, waar de meesten van ons voor in aanmerking komen, worden die psychologische onderzoeksrapporten daarin gebruikt?’
Instemmend gebrom en gemompel klinkt. Floris wacht tot het stil wordt.
‘Wil iemand iets over de opmerking van Frans kwijt?’
Iemand schenkt koffie voor zichzelf in en houdt de kan even omhoog. Als er geen reactie komt, zet hij de kan voor zich neer en slaat kort op het deksel.
‘Als ik eerlijk ben, heb ik mijn twijfels over de transparantie van dit onderzoekstraject.’
Floris gaat achterover zitten.
‘Ga je gang Matthieu.’
‘Laat ik het beestje maar bij de naam noemen. Ik heb niets te verliezen. Dat psychologisch onderzoek is ons een half jaar geleden aangeboden als ontwikkel-instrument. Als ik jouw verhaal goed begrijp, gaat het deel uitmaken van het outplacement traject. Dat mág helemaal niet. Ik begreep ook dat Maria en jij vaker met elkaar samenwerken. Jullie zijn bevriend met één van de Directieleden. Dit hele verhaal is voorgekookt. Ik voel mij verneukt!’
Floris staat op.
‘Matthieu, je slaat de plank mis! Jullie hebben schriftelijk toestemming gegeven. Jullie weten dat een outplacement deel uit gaat maken van deze reorganisatie. Kom dus niet met kulverhalen dat jullie niet geïnformeerd zijn! Maria van der Leegte is onconventioneel, maar bekwaam. Ze is geregistreerd. Ze doet haar werk goed. Punt!’
De 5 Unitleiders beginnen door elkaar te praten. Er klinkt verontwaardigd gesis.
‘Michel! Jij nog iets? Graag inhoudelijk.’
De jongste Unitleider houdt op met tekenen en legt zijn pen neer.
‘Heel sportief dat ik ook wat mag zeggen! Als ik het ‘psychologische’ rapport van mevrouw van der Leegte goed begrijp, kan ik geen nietjes in een paar A-4tjes slaan of tot 20 tellen. Empatisch ben ik niet en mijn abstractievermogen is niet ontwikkeld. Wat een flauwekul! Mijn rapport staat vol algemeenheden. Het is knip- en plakwerk. Ik ben hier altijd goed beoordeeld. Heel goed zelfs! Ik deed Nijenrode. Ik kom bij Shell vandaan! Ik ben nota bene gevraagd hier te komen werken. Ik ben het met Matthieu eens. Dit hele verhaal stinkt. Het is doorgestoken kaart. Maar, je gaat je gang maar. Ik vind zo iets anders. Dat weet iedereen!’
‘Michel, ik ga mijn gang om dit bedrijf weer gezond te maken. Thérèse, jij nog iets?’
Thérèse bloost.
‘Niks zeggen’, fluistert Frans, die naast haar zit.
‘Hij deugt niet. Alles wordt gebruikt’.
‘Dank je Floris. Ik heb niets toe te voegen. Ik wil er rustig over nadenken. Ik ben trouwens vier maanden in verwachting dus ik kan niet eens ontslagen worden.
’Michel schiet in de lach. Hij kijkt naar Thérèse, steekt zijn duim omhoog en gaat verder met tekenen.
‘Peter! Ik heb jou nog niet gehoord. Je lijkt er niet bij met je hoofd.’
Peter Breuker schrikt op als hij zijn naam hoort. Hij wrijft met twee handen over zijn grauwe gezicht. Hij heeft donkere kringen onder zijn ogen. Hij geeuwt met gesloten mond, kijkt heel even op zijn horloge, en neemt het woord.
‘Ik heb al die tijd geluisterd, Floris. Ik wil nog iets anders kwijt. Ik heb jou tijdens de presentatie voortdurend holle termen horen gebruiken. Targets. Mean and lean. Empoweren. Het komt op mij weinig doordacht over.’
Peter neemt een pauze en kijkt de kring rond.
‘Volgens mij heb jij net gebakken lucht staan te verkopen. Ik vind het respectloos. Het is namelijk nogal wat, waar dit verhaal over gaat. Waar is de menselijke maat gebleven? Het gaat over ons, hier, aan tafel. Allemaal toegewijde professionals. Met verantwoordelijkheden. Gezinnen. Opgroeiende Kinderen’.
Hij knikt naar Frans en Matthieu.
‘Wij hebben hier jarenlang keihard gewerkt, Floris. Daar komt van de één op de andere dag een einde aan. Jij gaat daar volledig aan voorbij. Het lijkt jou niets, maar dan ook helemaal niets te doen. Ik heb het afgelopen half uur geen emotie bij jou gezien! Wie ben jij eigenlijk? Ben jij wel de juiste persoon om zulke ingrijpende keuzes te maken? Niemand kent jou. Jouw BV en jouw website geven weinig duidelijkheid’!
Er valt een stilte. De Unitleiders gaan bijna tegelijkertijd verzitten. Frans schraapt zijn keel. Floris glimlacht.
‘Dank je wel voor deze reflectie Peter. Ik ben blij dat je zo openhartig bent. Dat siert jou. Zo heb ik jou ook leren kennen. Als een integer iemand. Met hart voor de zaak. Een vakman. Iemand met messcherpe analyses. Een steengoede manager! Ik respecteer jouw mening zeer. Ik neem jouw kritiekpunten mee voor de volgende keer. Mooi’!
Floris klapt zijn laptop dicht.
‘Ik stel voor dat wij even een rook- en plaspauze houden. Zullen we zeggen over 5 minuten terug? Ik heb straks nog twintig minuten nodig!’
De Unitleiders schuiven hun stoel naar achteren en lopen naar buiten.
‘Jij gaat eerder weg, begrijp ik?’
Peter staat achter zijn tafel. Hij doet zijn spullen in zijn tas. Hij kijkt Floris niet aan en pakt zijn jas die over de stoelleuning hangt.
‘Ja, dat klopt. Mijn vrouw krijgt vanmiddag een scan en daar ziet ze nogal tegenop’.
Floris klinkt nu ernstig.
‘Dat had ik van de anderen al begrepen, Peter. Heel akelig. Sterkte. Iets anders, zie ik jou morgenvroeg? Jij bent als eerste ingepland. Ik wil de tijd voor je nemen.’
Peter knikt en ritst zijn jas dicht.
‘Mij best.’
Hij groet Floris koel en loopt weg.

Een half uur later loopt Peter de zaal van het ziekenhuis in. Het is er rustig want 3 bedden zijn verlaten. Zijn vrouw ligt bij het raam. Ze slaapt. Peter neemt een klapstoeltje en gaat naast haar zitten. Ze ziet er bleek, vermoeid en mager uit. Peter pakt de hand van zijn vrouw en streelt die zachtjes met zijn duim.
‘Ben je daar?’, fluistert ze, terwijl ze haar hoofd naar Peter draait, ‘ik heb je zo verschrikkelijk gemist. Wil je wat water voor mij halen?’
Peter staat op, loopt naar het keukenblokje en vult een glas met kraanwater. Hij helpt zijn vrouw met drinken.
‘De scan is uitgesteld’, fluistert ze moeizaam, terwijl ze rechtop probeert te blijven. Peter duwt een kussen achter haar rug.
’Er gingen mensen voor. Ik weet niet of dat een goed of slecht teken is.’
Ze hoest zacht en kijkt Peter bezorgd aan.
‘Hoe was de bespreking? Weet jij al wat?’
Peter speelt met het glas in zijn handen. Hij schudt zijn hoofd.
‘Ik heb morgen een gesprek met de interim. Ik hoop dat alles dan duidelijk wordt. Ik ben als eerste. Daarna kom ik meteen naar je toe’.
Eveline knikt.
‘Ga lekker naar huis, lieverd. Je ziet er moe uit. Ik red mij wel. Het zal best meevallen allemaal. Morgen weten wij meer.’
Peter staat op. Hij buigt zich over zijn vrouw, geeft haar een zoen op haar hoofd, zet het glas op het kleine tafeltje naast het bed, hangt de stoel aan het voeteneind en loopt de ziekenhuiskamer uit. Aan het eind van de gang pakt hij de lift naar de parkeerplaats.
In zijn auto kijkt Peter verdwaasd om zich heen. Hij zucht en slikt wat tranen weg. Dan drukt hij op de powerknop van zijn hybride auto, zet de radio aan en rijdt weg.

Als de volgende morgen om 07.00 u. het scherm van zijn smartphone knippert, is Peter al wakker. Hij rilt, geeuwt en kreunt. Hij is moe, want hij heeft weer uren liggen piekeren.
Hij pakt zijn telefoon, zet het weksignaal uit, kijkt of er berichten binnen gekomen zijn en gaat op de rand van zijn bed zitten. Als hij een beetje helder is geworden, kleedt hij zich uit, pakt een handdoek uit de kast en loopt in een doodstil huis naar de badkamer.
Onder de douche maakt Peter zijn nek en schouders los. Hij ontspant van het warme water en gaat zitten. Als hij bijna in slaap valt, zet hij de warme kraan uit en spoelt hij zich met ijskoud water af. Het happen naar lucht en het schreeuwen doen hem goed. Nadat hij zich heeft aangekleed, drinkt hij in de keuken een kop thee en bladert hij rustig de krant door. Dan kijkt hij op de klok, staat hij op en pakt hij zuchtend zijn spullen.

3 kwartier later parkeert Peter op zijn vaste plek bij zijn werk. Hij blijft nog even in de auto zitten en stuurt Eveline wat lieve en bemoedigende berichtjes. Om half negen loopt hij via een brede marmeren trap de gemeenschappelijk hal van het grote moderne kantoorpand binnen en pakt hij de lift.
In zijn kamer op de 8e verdieping zet hij eerst zijn computer en zijn beeldscherm aan. Vervolgens hangt hij zijn jas aan de kapstok. Dan haalt hij koffie. Hij gaat voor het raam staan en kijkt uit over de stad, turend, of hij ook vandaag in de verte het ziekenhuis van Eveline kan zien.
Zo wacht Peter op het gesprek met Floris Duinmeier.

‘Kom binnen, man! Peter! Wat ontzettend fijn dat je er bent!’
Floris klapt zijn laptop dicht, komt achter zijn bureau vandaan en geeft Peter een hand.
‘Neem plaats, je bent precies op tijd!’
Hij sluit de deur nadrukkelijk en gaat tegenover Peter aan de grote vergadertafel zitten.
Floris is een innemende, charismatische man. Kaal, lang, strak in het pak met witte overhemden en felgekleurde dassen. Hij draagt dure Italiaanse schoenen met bijpassende riemen. Hij heeft verschillende design brillen, een sterk mannengeurtje, een drie dagen baard en felle, helblauwe ogen.
‘Christus wat een stoot’, had Thérèse gefluisterd, toen Floris zich met een vlekkeloze presentatie als doener, denker en iemand met voldoende softskills in zijn toolbox aan iedereen had voorgesteld. Zijn verhaal over de ingrijpende reorganisatie, de missie, visie en de doelen die gehaald moesten worden en de verregaande consequenties die dat voor iedereen zou hebben, had Peter wit van schrik aangehoord. Dat was vijf maanden geleden.

Floris heeft Peter onderzoekend aangekeken en schuift een mapje met documenten weg.
‘First things first.’
Hij schenkt 2 glazen water in en zet er één voor Peter neer.
‘Hoe was het gisteren met Eveline, hebben jullie al wat meer duidelijkheid’?
Peter tuurt naar het water in zijn glas en schudt zijn hoofd.
‘Het ziet er gewoon niet goed uit Floris. Er zijn verschillende organen aangetast. Eveline heeft veel pijn. De operatie die deze week gepland was, is uitgesteld. Er moet eerst weer een scan gemaakt worden. Ik vrees het ergste, Eveline ook, al praat ze er niet over. Ze voelt dat haar einde nadert en is ’s nachts in paniek. Eveline moet nog 35 worden en gaat dood’.
Peter schiet vol, neemt een slok water en kijkt een andere kant op.
‘Ik, ik weet niet wat ik zeggen moet, Peter’, zegt Floris aangedaan, ‘het leven is nooit rechtvaardig, maar dit, dit gun je je ergste vijand niet.’
Hij pakt een zakdoek en droogt zijn ogen.
‘Het spijt me, Peter, ik ben een jankebalk, ik ben net vader geworden’.
Floris snuit zijn neus en stopt zijn zakdoek in zijn broekzak. Daarna schenkt hij Peter water in. Hij trekt het mapje weer naar zich toe, opent het, laat een stilte vallen en haalt diep adem.
‘Peter, gezien, de tijd. Ik weet dat het hoogst ongepast is. Maar zoals ik jou gisteren al vertelde, spreek ik vandaag alle Unitleiders. Ik wil, nee, ik móet ter zake komen. Hoe vervelend dat ook is’.

Peter knikt. Door de oprechte manier waarop Floris zijn emoties toont, voelt hij zich opeens op zijn gemak.
‘Weet je Floris, ik begin zo langzamerhand te beseffen dat het lot mij ongunstig gezind is. Je kunt je in zulke situaties afvragen, waarom ik? Je kunt je volgens mij ook afvragen, waarom ik niet? Er zijn zoveel mensen die dit meemaken. Afgaande op de statistieken komt het erop neer dat 1 op de 4 mensen het krijgt. Jij spreekt er vandaag 5, met jou erbij is 6. Dus, zou ik zeggen, en niet om jou te verontrusten, er zit er hoe dan ook eentje tussen die ooit die vreselijke diagnose krijgt. Kom maar op zou ik zeggen! Zo erg kan het toch allemaal niet zijn wat jij mij te vertellen hebt? Ik bedoel, ik ben door mijn financiële reserves heen, mijn huis is onverkoopbaar want staat onder water. Ik heb torenhoge schulden, 2 aanmaningen van mijn hypotheekverstrekker, ik ben mijn baan kwijt en mijn vrouw gaat dood. Nu jij weer’!
Hij grinnikt, drinkt zijn glas leeg en schenkt een nieuwe in.
Floris pakt een document uit het dossier en legt het voor Peter neer. Hij neemt een pen uit de binnenzak van zijn jasje, draait eraan en zet een cirkeltje rond een oningevulde rechthoek, bovenin een organigram.
‘Hier kom je terecht’, zegt hij, zonder op te kijken.
‘Je gaat onder meer Shared Services aansturen. Die wordt er in zijn geheel bijgevoegd en dat betekent een aanzienlijke taakverzwaring. Je krijgt er 45 FTE bij. Bij elkaar opgeteld ga je ruim 110 mensen aansturen. Je komt in een andere loonschaal terecht en zo uit mijn hoofd ga je fors meer verdienen want je komt nu ook in aanmerking voor winstdeling. Misschien overval ik je ermee maar jij bent voor mij, én de directie overigens, de beste man op de beste plek. Je begint per direct en de salariëring gaat met ingang van vandaag in’.
Peter kijkt hem verbijsterd aan.
‘Waarom ik?’
‘Je bedoelt, waarom ik niet’?
Beiden schieten na het gevatte antwoord van Floris in de lach.
‘Het is heel simpel, Peter. Ik ben degene die mensen voordraagt aan de directie. Dat hoort tot mijn verantwoordelijkheid en takenpakket. Ik heb iedereen gewezen op jouw wendbaarheid in communicatie, stijlflexibiliteit en analytische denkkracht, doorzettingsvermogen en standvastigheid. Met alles wat ons de komende maanden te wachten staat, weet ik wie de enige geloofwaardige kandidaat is.’
Floris wijst langzaam en nadrukkelijk met zijn glimmende zwarte pen naar Peter.
Peter slikt. Hij realiseert zich plotseling dat hij in een pijnlijke situatie terechtgekomen is en bloost.
‘Floris. Ik ben je heel, heel dankbaar. Je redt hiermee mijn leven. Ik wil dat je dat weet. Maar ik schaam mij ook diep. Ik heb jou volkomen verkeerd ingeschat. Ik moet mijn excuus aanbieden!’
Floris heft afwerend zijn handen op, maar Peter praat door.
‘Ik heb mij niet altijd vleiend over jou uitgelaten, Floris. Dat blaadje op het prikbord in het restaurant, over meeuwen die binnenvliegen, de boel onder schijten en weer weggaan. Dat A-4tje, dat was van mijn hand en het spijt mij nu verschrikkelijk’.
Floris neemt het organigram terug en slaat het dossier dicht.
‘Waar gehakt wordt, vallen spaanders Peter! Ik ben een keiharde saneerder en ik ben transparant. Ik zeg wat ik doe en ik doe wat ik zeg. Heel straight. What you see, is what you get. Clear?’
Floris staat op en schudt Peter de hand.
‘Ik heb je een week betaald verlof gegeven. Je gaat nu als de brandweer naar Eveline. Werken is er niet bij! Je hebt belangrijkere dingen aan je hoofd. Neem Eveline in je armen en kom volgende week uitgerust weer terug. Maak je geen zorgen meer. Alles komt goed! Ik licht iedereen vandaag in. Dat moet! Het zijn geen leuke gesprekken, ook voor mij niet. Maar het hoort er allemaal bij! Jij houdt voorlopig jouw mond, anders breng je mij in een onmogelijke positie. Jij neemt vanaf volgende week de leiding in deze ingrijpende reorganisatie en je zorgt voor een keurige afvloeiing van de anderen. Capiche? Wegwezen nu! Naar moeders toe!’
Floris geeft Peter nog een high five, doet de deur voor hem open en kijkt hem na. Dan vraagt hij Frans, die buiten staat te wachten, binnen te komen en sluit de deur.

Peter loopt weg en sist, bijna onhoorbaar, heel even ‘yessss’. Hij balt zijn vuisten, maakt een sprongetje en snelt naar zijn kamer. Daar doet hij zijn PC en beeldscherm uit, pakt zijn telefoon, zijn jas en zijn tas en loopt de deur uit. Hij wacht opgewonden bij de lift en voelt intense blijdschap als hij naar beneden suist. Buiten zuigt hij zijn longen vol met lucht. Met lange passen loopt hij naar zijn auto. Hij gooit zijn spullen op de achterbank, gaat achter het stuur zitten, start en rijdt weg.

Niet veel later is hij in het ziekenhuis. Hij kan niet wachten om Eveline het grote nieuws te vertellen.
Eenmaal op de afdeling vindt Peter tot zijn grote schrik een lege plek op zaal en als iemand van het verplegend personeel hem tegenkomt, wordt hij zwijgend naar een klein kamertje gebracht. Daar zit Eveline rechtop in haar bed. Met gebogen hoofd. Ze houdt haar handen voor haar ogen. Ze jammert ingehouden. Een oudere arts zit op een klein krukje, rustig, naast haar bed. Peter loopt naar binnen en sluit heel zacht de deur.
‘Het kan niet, het kan niet, ik ben nog geen 35! En Peter dan? We zouden samen oud worden! We wilden nog zoveel! Het is niet eerlijk! Niet eerlijk! Het is gewoon niet eerlijk godverdomme. Nee! Het kan niet! het mag niet! Waarom ik? Waarom godverdomme ik’!
Eveline’s stem slaat over. De arts gaat staan en maakt plaats voor Peter.
‘Ik laat jullie even alleen. Uw vrouw mag naar huis. Mochten er vragen zijn, dan hoor ik dat.’
Hij raakt zacht, kort en welgemeend de schouder van Eveline aan. Daarna geeft hij Peter een hand. Hij loopt het kamertje uit en trekt de deur, buiten op de gang, hoorbaar in het slot.
‘Ik zit godverdomme vol met tumoren’, schreeuwt Eveline wanhopig.
‘Ze hebben vanochtend een scan gemaakt. Ze waren binnen tien minuten klaar. Ik ben niet eens op zaal teruggeweest. Ze reden mij hier naar toe en toen wist ik het meteen. Ik ben bijna dood! Ik word van binnen opgevreten. Ik heb nog een maand. Hoogstens! Een week misschien. Het is de meest kwaadaardige kanker die er bestaat. Moet je zien. Daar heb je mijn inktzwammen’!
Ze knikt naar een klein lichtkastje. Peter aait Eveline zachtjes over haar arm. Hij wil iets zeggen en weet niet wat.
Na een uur in totale verwarring naast zijn huilende vrouw gezeten te hebben, regelt Peter vervoer. Hij krijgt informatie over pijnbestrijding en er wordt een bed voor thuis geregeld. Peter vertelt Eveline over zijn vrije week maar niet over zijn nieuwe baan. Niet veel later rijdt hij achter de ambulance aan, die zijn bange en doodzieke vrouw naar huis toe brengt.

Daar zet Peter het bed, dat snel geleverd wordt, op een rustige plek met uitzicht op de tuin. Eveline krijgt dezelfde avond bezoek van haar huisarts, een vrouw van haar leeftijd, met wie ze vertrouwd is. Zij praten lang en indringend over pijnbestrijding. Als de huisarts uitlegt wat zij allemaal nog kan doen, benadrukt dat zij dag en nacht beschikbaar is en altijd gebeld kan worden, komt Eveline tot rust. Naarmate de uren verstrijken, lijkt zij vrede te vinden in haar lot en zij slaapt dankzij de morfine die ze krijgt, veel.
Peter is blij dat hij een week verlof van zijn manager gekregen heeft. Hij ligt ’s nachts vlak bij Eveline op de bank en laat haar niet meer alleen. Vrienden en vriendinnen van Peter en Eveline maken schema’s voor het huishouden en het eten. Ze doen boodschappen, koken en troosten Eveline die soms weer even opknapt. Op zulke momenten vraagt Eveline om haar lievelingsmaaltijden, ook al eet ze er nauwelijks van. Ze wil fotoboeken van de vakanties zien en geniet van haar ‘audiëntie’, zoals ze het noemt. De gesprekken met familieleden die naast haar bed zitten en praten over het weer, vroeger, wonderen die de wereld nog niet uit zijn of operaties en behandelingen in het buitenland.
Peter had Eveline, omdat hij vond dat het kon, uiteindelijk toch over zijn nieuwe baan verteld. Hij was er, ook al had hij zich voorgenomen dat het niet gebeuren zou, bij volgeschoten. Eveline had hem bij zijn verhaal sprakeloos aangekeken en hem oprecht ontroerd en snotterend van blijdschap, gefeliciteerd.
‘Als je mijn hand maar vasthoudt als ik ga, begrepen?’
Peter had haar tegen zich aangedrukt en aangedaan bezworen dat hij er in haar laatste uren voor haar zou zijn.
‘Je zult in mijn armen sterven, lieve schat, er is niemand, niemand die mij tegenhoudt’.

Peter realiseert zich na dat indringende moment dat zijn leven ondanks het aanstaande verlies van Eveline weer perspectief gekregen heeft en kan zich voor het eerst sinds maanden een beetje ontspannen. Hij voert een prettig gesprek met zijn hypothecaire geld verstrekker en die besluit hem gezien zijn situatie thuis en de veranderde omstandigheden op zijn werk tegemoet te komen door zijn aflossing voor een paar maanden, met kleine bijkomende kosten, te bevriezen.
Peter krijgt daardoor wat ruimte en opent op een namiddag de mail account van zijn werk. Hij leest in een paar uur een grote hoeveelheid berichten en ziet tot zijn verbazing dat hij van Frans, zijn iets oudere collega, voortdurend uitgebreide verslagen van vergaderingen en bijeenkomsten krijgt. Zijn naam en die van Matthieu en Michel staan zelfs in de mobiliteitspool. Peter kan dat niet plaatsen en vermoedt een slordigheid die zoals Peter weet, Frans eigen is. Hij besluit er inhoudelijk niet op in te gaan en schrijft Frans korte berichten terug. Daarin complimenteert hij hem zakelijk met de voortgang van het loodzware traject. Over zijn thuissituatie laat Peter weinig los. Hij laat Frans wel weten dat hij op korte termijn weer operationeel zal zijn en op dat moment alles van hem overneemt. Daarna hoort hij niets meer en richt hij zich weer op zijn thuissituatie, die snel slechter wordt.
Eveline is stervende en daar heeft iedereen zich inmiddels aan overgegeven. Nu de grootste angst tot waarheid is geworden, komt er in het huis van Eveline en Peter een zekere lichtheid te hangen. Iets positiefs bijna. De mensen die langskomen, zijn diep onder de indruk. Peter krijgt iets van zijn energie terug en neemt in alles zijn verantwoordelijkheid. Hij is in korte tijd, zoals Eveline hem in zijn oren fluisterde, een volwassen, aantrekkelijke man geworden.

De week vliegt voorbij en de avond voor hij weer naar zijn werk gaat, praten Eveline en Peter urenlang over het leven dat ze samen hadden en veel te vroeg verliezen gaan. Ze halen herinneringen op en Peter is ontroostbaar wanneer Eveline hem wijst op zijn toekomst en de kansen die hij in deze zware tijd aangeboden krijgt. Uiteindelijk vallen ze in het bed in de huiskamer in elkaars armen in slaap.

De volgende ochtend staat Peter vroeg op. Hij neemt een hete douche en ontbijt licht, staand in de keuken, bijna zonder geluid te maken. Als er zachtjes op de achterdeur getikt wordt, laat hij Esther binnen, Eveline’s hartsvriendin die de hele dag bij haar zal blijven. Peter groet Esther hartelijk, geeft Eveline, die zwaar en diep slaapt, zacht een kus op haar voorhoofd, pakt vervolgens zijn werktas met aantekeningen, stapt zijn auto in en rijdt rustig de straat uit.

Een half uur later loopt Peter met een bekertje cappuccino, ontspannen, zijn werkkamer in.
Daar wacht hem een onaangename verrassing, want zijn vertrouwde omgeving is onherkenbaar veranderd. Op een antiek kastje dat tegen een muur is geplaatst, herkent Peter privé spullen van Frans. Bovenop het kastje staan ingelijste vakantiefoto’s, bekers met vrolijke teksten, een paar managementboeken en een bronzen beeldje, ‘de denker’, van Auguste Rodin. Er hangt een enorme reproductie van een schilderij aan de muur. Peter kijkt om zich heen, zet zijn tas op de grond en loopt vervolgens zijn kamer uit, de afdeling rond. Daar ziet hij in een gespreksruimte Frans en Floris geanimeerd in gesprek. Ze zitten rond een laptop, drinken koffie en hebben zichtbaar plezier. Peter fronst zijn wenkbrauwen, loopt naar de deur, klopt een keer stevig en stapt naar binnen.

Floris en Frans kijken Peter verrast aan. Peter knikt naar Floris en richt zich vervolgens tot zijn collega.
‘Sorry dat ik stoor, Frans, kan ik jou nú spreken? Ik begrijp iets niet.’
Frans lacht vriendelijk naar Floris en excuseert zich. Dan hij loopt met Peter de gang op en wijst naar zijn kamer. Als zij daar even later binnenlopen, sluit Frans de deur.
‘Wat gebeurt hier, Frans? Waar zijn mijn spullen gebleven? Waarom zit jij op mijn kamer? Wat is hier aan de hand’?
Frans kijkt Peter vol ongeloof aan.
‘Wat bedoel je? Ik begrijp je niet! Weet je dan niks?’
Frans heeft zichtbaar moeite met de situatie. Hij slikt. Dan legt hij Peter rustig uit wat er de afgelopen week gebeurde.
‘Nadat Floris vorige week met jou gesproken had, vertelde hij mij dat ik de nieuwe manager word. Het was een kort en zakelijk gesprek. Ik heb formulieren ondertekend en kon meteen beginnen. Ik ben nu formeel jouw leidinggevende en ga jou en de anderen begeleiden in het outplacement. Jullie functie is komen te vervallen. Jij zit in de mobiliteit. Net als Michel en Matthieu. Voor Thérèse wordt een oplossing gezocht. Dat ligt juridisch nogal gecompliceerd, ze is een procedure gestart. Maar ik begrijp iets niet, Peter. Ik dacht dat je dat allemaal wist! Ik schrik mij dood! Anders had ik je net natuurlijk even opgevangen. Dat snap je toch wel? Je hebt toch alle informatie van Floris gekregen? Hij zou dat aangetekend naar jou toesturen!’
Peter wordt duizelig en pakt zich aan tafel vast. Het is of de grond onder zijn voeten wegzakt. Frans doet een stapje dichterbij.
‘Wat is er met je, man? Gaat het? Neem even plaats. Dan haal ik even een kopje koffie voor je.’
Peter maakt een kleine handbeweging. Hij trekt een stoel naar zich toe en gaat zitten. Hij haalt diep adem. Hij schudt radeloos zijn hoofd, legt zijn telefoon op tafel, kijkt er even op, en herpakt zich.
‘Meekomen. Nu! Ik wil Floris spreken en ik sta erop dat jij daar bij bent. Ik weet wat er gebeurd is. Ik ben gewoon genaaid! Wat een vuile klootzak’!
Frans is stomverbaasd. Hij loopt naar zijn bureau.
‘Wat bedoel je? Ik begrijp er niets van! Heb jij deze spullen dan niet gekregen? Joh! Je ziet lijkbleek! Wat is er? Ben je net gebeld? Gaat het soms niet goed met Eveline?’
Als Peter de naam van zijn vrouw hoort, draait hij zich als door een adder gebeten om, staat op, stapt de kamer uit en rent naar Floris. Frans loopt achter Peter aan en praat op hem in.
‘Geen domme dingen doen! Peter! Toe! Alsjeblieft! Blijf nadenken!’
Peter reageert niet. Hij stormt de gesprekskamer binnen. Als Floris opkijkt van zijn telefoon en verbaasd vraagt waarom hij zo bleek ziet, begint Peter als een uitzinnige te schreeuwen.
‘Hoe haal jij dat nou in jouw hoofd, vuile onbetrouwbare schoft die je bent! Jij hebt mij godverdomme vorige week die functie toegezegd! Dat weet je heel goed! Hufter!’
Frans is geschrokken achter Peter gaan staan en maakt oogcontact met Floris. Die heft met opgetrokken wenkbrauwen zijn handen in de lucht.
‘He? Wat krijgen we nou?’
Peter grijpt een stoel en houdt die in één beweging boven zijn hoofd.
‘Smiecht! Leugenaar! Vuile oplichter! Doen alsof je van niets weet? Crimineel’!
Floris is opgestaan en maakt een afwerend gebaar. Hij kijkt nog steeds verbaasd naar Frans. Die probeert Peter tot bedaren te brengen.
‘Rustig Peter, alsjeblieft, denk aan je geloofwaardigheid. Laten we dit even beschaafd houden. Zoiets doet Floris niet! Zo is Floris helemaal niet! Dat weet jij net zo goed als ik! Het is een misverstand. Dat weet ik zeker! Kom even tot jezelf! Toe.’
De vertrouwde, rustige stem van Frans heeft een kalmerende invloed op Peter. Hij zet de stoel weer bij tafel, gaat zitten en haalt een paar keer diep adem.
‘Laat dat formulier zien. Dat formulier jij mij vorige week gaf. Laat zien! Laat mij nú dat organigram zien! Met dat cirkeltje dat jij neerzette, toen jij mij die functie beloofde en met verlof naar huis toe stuurde!’
Floris kijkt Peter vol ongeloof aan.
‘Welk formulier? Waar héb jij het over Peter? Doe niet zo kinderachtig. Gedraag je! Ik weet van niks!’
‘Ik heb jou door, klootzak! Jij lult je er niet meer uit! Jij weet heel goed waar ik het over heb! Heel goed! Ga godverdomme dat organigram halen! Schoft!’
Peter is uitzinnig van woede. Hij ziet krijtwit en speeksel spat in het rond.
‘O! Wacht! Nou weet ik het! Dát formulier. Nóu snap ik je. Zeg dat dan meteen! Probeer alsjeblieft te kalmeren, Peter. Ik kan niet tegen dat geschreeuw! Bedaar alsjeblieft, dan haal ik het even in mijn kamer.’
Floris loopt weg. Hij laat Frans en Peter even achter en komt bijna meteen weer terug.
‘Bedoel je deze’?
Hij legt het document waar Peter om vroeg, voor hem op tafel. Peter pakt het op, herkent hetzelfde kringetje rond het oningevulde vakje in het organigram en ziet tot zijn verbijstering dat de naam van Frans er met rode inkt is ingezet. Floris gaat heel rustig tegen over Peter aan tafel zitten.
‘Ik denk dat jij mij helemaal verkeerd begrepen hebt, Peter. Kennelijk was je zo met je hoofd ergens anders, dat je de verkeerde conclusie trok. Misschien was je met jouw gedachten bij Eveline. Ik zou toch nooit zoiets toezeggen zonder dat ik je een officieel document laat ondertekenen? Ik ben niet gek! Daar ben ik veel te ervaren voor! Je hebt je gewoon vergist, joh. Luister. Begrijp mij goed. Fráns is voorgedragen aan de directie. Zijn functie is unaniem aanvaard. Jouw functie is daarmee komen te vervallen. Er hier is hier geen plek meer voor je. Jij zit net als de anderen in de mobiliteit. Daar zal Frans je straks veel meer over vertellen. Ik ben hier volgende maand weg, ik heb een andere klus. In het buitenland!’
Peter hapt naar adem, het bloed trekt uit zijn hoofd. Hij verfrommelt het organigram en gooit het op tafel.
‘Schoft, vuile, vuile, vuile schoft, vuile smerige klootzak die je bent. Jij smerige rat, als je nog één ding zegt sla ik je boven op je leugenachtige smoelwerk.’
Peter zijn handen zijn gebald. Hij snuift van razernij en machteloosheid. Als hij op wil staan, loopt Thérèse binnen.
Ze kijkt naar Frans, naar Floris, en ziet Peter zitten. Haar gezicht betrekt, ze praat zacht.
‘Wat is er, weet ie het al’?
Peter hoort de stem van Thérèse en vangt het laatste deel van haar gefluister op. Hij trilt over zijn hele lijf.
‘Ja Thérèse. Ik ben net geïnformeerd! Ik ben kapot! Ik ben gewoon kapotgemaakt door deze gore klootzak. Ik heb niks meer! Hij liegt! Hij liegt alles aan elkaar!’.
Floris schudt meewarig zijn hoofd.
‘Ho, ho, het moet niet gekker worden! Mij voor leugenaar uitmaken, hoe haal je dat nou in je hoofd. Nou moet je ophouden hoor’?
Floris kijkt naar Frans. Die weet niet hoe hij moet reageren. Thérèse doet een stap dichterbij. Ze kijkt naar Frans en loopt dan naar Peter toe. Ze legt haar hand op zijn schouder.
‘Lieverd. Dat bedoel ik niet! Je snapt het niet! Je moet naar huis! Met spoed! Ze kunnen je niet bereiken! Het gaat ineens heel slecht met Eveline’!
Peter schreeuwt, springt op, rent naar zijn oude kamer, grijpt zijn telefoon van tafel en ziet dat er heel vaak is gebeld. Hij pakt zijn jas en vliegt, voorbij de lift, alle trappen af, naar de parkeerplaats.
Eenmaal in zijn auto rijdt hij in volle vaart, door alle rode stoplichten, luid claxonerend naar huis.

Thuis aangekomen, stormt Peter de huiskamer binnen en ziet hij Esther bij het levenloze lichaam van Eveline zitten. Esther kijkt Peter verbijsterd aan. Ze snikt.
‘Waar was je nou? Ze heeft zo om je gevraagd! Ze ging ineens zo hard achteruit! Ik heb je wel honderd keer gebeld. Maar ik kon je niet bereiken’.
Ze schudt vol ongeloof haar hoofd.
‘Eveline noemde telkens jouw naam. Het ging zo hard. Zo hard. Ze was ineens weg. Hoe kun je je telefoon nou wegleggen als je vrouw dood gaat? Hier! Dat had Eveline in haar hand. Ik vond het toen ze overleden was. Het viel op bed. Ik denk dat ze het jou wilde geven.’
Peter herkent een klein kompas. Het is van zijn eerste vakantie met Eveline. Die keer dat ze hoog in de Pyreneeën verdwaalden, in het wild kampeerden en vijf onvergetelijke dagen hadden. Hij kijkt naar zijn dode vrouw en laat zich met een schreeuw op haar lichaam vallen. Zo blijft hij liggen. Ook als de eerste mensen binnendruppelen.

De dagen die volgen, staan in het teken van afscheid nemen, dat op uitdrukkelijk verzoek van Eveline thuis plaatsvindt. Condoleances en liefdevolle bezoekjes zijn Peter tot enorme steun, de uren duren lang en zijn intensief. Soms, nadat hij wat opgemonterd is, zoekt Peter Eveline op om haar iets te vertellen of te vragen en wanneer hij zich dan realiseert dat zij er niet meer voor hem is, barst hij weer in tranen uit. ’s Nachts waakt Peter bij de ruwe, vurenhouten kist. Het huis is dan stil en verlaten. Peter leest Eveline gedichten en verhalen voor, draait haar lievelingsmuziek en praat zachtjes, talloze dierbare herinneringen ophalend, tegen zijn geliefde vriendin. Hij slaapt nauwelijks. De aanvaring met Floris en de gebeurtenissen op zijn werk, is hij, door alle indrukken die hij thuis op doet en de liefde die hij van iedereen krijgt, volkomen vergeten. Zo verstrijken de dagen.

Op de dag van de uitvaart, die in de namiddag plaats zal vinden, is het huis één grote bloemenzee. Overal staat wel een boeket. Het ziet er uitbundig vrolijk uit.
Als de eerste mensen door de achterdeur binnen komen, wordt er aangebeld. Peter doet open en krijgt van een postbode een aangetekende brief overhandigd. Hij herkent het briefhoofd van zijn werkgever, pakt de brief, zet een handtekening, sluit de voordeur en neemt de brief mee naar de WC. Hij sluit de deur, doet de deksel van de bril dicht en gaat zitten. Peter bekijkt het poststuk een paar keer aandachtig en een angstig voorgevoel bekruipt hem. Hij haalt diep adem, scheurt langzaam de enveloppe open, trekt er een brief uit en leest die vluchtig door. Dan begint hij te zweten en te beven. Na drie keer lezen dringt het tot hem door hij dat hij vanwege grensoverschrijdend gedrag, te weten ernstige intimidatie en bedreigen van een extern professional, op staande voet en oneervol ontslagen is. Het outplacement traject met de bijkomende verantwoordelijkheden is volledig komen te vervallen. Peter wordt lijkbleek. Hij hoort stemmen van mensen die binnenkomen, smijt de deur van de WC open en rent zonder iets te zeggen naar zijn auto.
Het bezoek kijkt hem stomverbaasd na als hij vol gas de straat uitrijdt.

Als Peter even later de parkeerplaats voor het kantoor opdraait, zijn auto inparkeert en uit wil stappen, ziet hij Floris, lachend, rokend en bellend richting hoofdingang lopen. Peter krijgt een grimas op zijn gezicht, bedenkt zich geen moment en geeft vol gas.
Een ooggetuige beschrijft de situatie achteraf als ‘bloedstollend, het leek wel een film’. Peter is in volle vaart, met rokende en slippende voorwielen, op Floris ingereden. Hij raakte een scheef geparkeerde auto, reed meteen daarna tegen een betonnen paaltje en is daarop, via een andere auto en uiteindelijk een marmeren traptree, omhoog gekatapulteerd, rakelings over het hoofd van Floris. Die werd net op tijd weggetrokken, anders was hij dood geweest.
Met een afgrijselijke klap is de auto van Peter door de draaideur naar binnen geschoten en in de centrale hall tot stilstand gekomen.
‘Heel angstaanjagend’, vertelt de man die Floris redde, ‘het leek wel minuten te duren. De auto vloog over ons heen, met draaiende motor en toch ook weer doodstil. Ik hoorde iemand in de auto schreeuwen. Echt een doodsschreeuw. Die vergeet ik mijn leven niet! Toen die klap. En Floris die onbedaarlijk begint te lachen. Mensen kunnen raar reageren onder stress’!

Na twee uur zagen en breken, wordt Peter door een paar brandweermannen en een arts heel behoedzaam uit zijn auto getild. Hij wordt op een brancard gelegd. Volledig gefixeerd wordt hij aan slangetjes, draden en apparaten met knipperende lampjes onder goudkleurig folie met een helikopter naar het dichtst bij zijnde Universiteitsziekenhuis gevlogen.
Daar wordt Peter een paar dagen later in staat van beschuldiging gesteld en in een Huis van Bewaring in hechtenis genomen. De aanklacht op basis van de aangifte van Floris Duinmeier luidt ‘poging tot moord’.

Eveline is gecremeerd zonder dat Peter daar bij aanwezig was. Vrienden hebben zijn huis een half jaar later te koop gezet.

copyright © Flourishh 2015

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *