Fictie: Identiteit

identiteithome

Richard Hoefnagel houdt zijn hand vlak bij zijn mond, knippert kort met zijn ogen, schudt zijn hoofd en kijkt de publiekshal van het Gemeentehuis in. Die zit vol vandaag maar het doet hem niets meer. Hij zit zijn tijd als baliemedewerker uit om zijn passie te kunnen bekostigen, stadsarcheologie. Zijn pensioen nadert en over een half jaar kan hij zich volledig gaan richten op de historie van de stad waar hij werd geboren, trouwde en bleef wonen. Eindelijk zal hij dan verlost zijn van de ambtelijke beklemming, de voorspelbaarheid, pesterijen, middelmaat en dodelijke verveling.

Straks gaat hij bezittingen opgraven en de eigenaren daarmee een geschiedenis, een gezicht, geven. Verenkrulmesjes, Oranjepijpen, waaierfragmenten, tinnen en houten lepels, rijglaarsjes, sieraden, flesjes met kwakzalfmiddeltjes, kinderspeeltjes, scherven en munten, liggen te wachten om door hem ten toongesteld te worden. Bij voorkeur in de publiekshal. Met heldere uitleg over de vindplaats op smaakvolle, handgeschreven kaartjes. Zijn leven en dat van anderen gaat op die manier alsnog zin en betekenis krijgen.

Hoefnagel gaapt nog een keer achter zijn hand en drukt op een knopje. Iemand loopt naar zijn balie toe en legt een pasfoto voor hem neer. Zo zal het die dag nog veel vaker gaan en hij is er bedreven in geworden dingen snel en kundig af te handelen. Fouten maakt hij zelden of nooit, dat is zijn eer te na. Hij weet uit ervaring waar de gevoeligheden van mensen liggen en is daarom vormelijk en beleefd. Zo vermijdt hij conflicten en blijft hij anoniem, als iemand zonder naam en zonder gezicht. Het is zijn manier om de dagen door te komen en het is de prijs die hij al achtenveertig jaar betaalt. Maar hij weet dat hij over zes maanden gaat leven van een spaarpot die tot de rand toe is gevuld met dromen, van een carrière waar hij het grootste deel van zijn leven op heeft gewacht, amateur stadsarcheoloog met kennis van zaken en een scherpe neus voor plekken die niemand kent. De vergeten schatkamers uit de lokale geschiedenis. Als Richard zijn laatste klant van deze ochtend heeft geholpen, gaat hij pauzeren.

Als gewoonlijk slaat Hoefnagel de lunch in het bedrijfsrestaurant over en loopt hij naar het gemeentearchief. Zijn brood eet hij meestal daar. ‘De doodskist’ heet het gebouw maar Hoefnagel komt er graag. Het kan hem niet rustig genoeg zijn en de collega’s zijn toegewijde vakmensen die hem graag helpen wanneer hij iets nodig heeft. Een kaart, boek, of kopie.

De meeste ambtenaren op het gemeentearchief zijn op rigide af voorzichtig en onwillig om oorspronkelijke documenten te laten zien, laat staan mee te geven. Voor Hoefnagel wordt een uitzondering gemaakt. Er wordt met bewondering en ontzag over zijn passie gesproken. Zijn doorzettingsvermogen, het geluk dat daar af en toe bij komt kijken en de opgravingen die hij vol trots meeneemt, maken dat Hoefnagel er graag gezien is. Hij zorgt voor kleur en leven in het grijze gebouw en de mensen op het archief helpen Richard daarom graag. Alsof Hoefnagel hun laatste contact met de buitenwereld is.

Vandaag belooft een bijzondere dag te worden. Er ligt iets voor hem klaar en Richard verheugt zich er al weken op. Hij heeft over een verborgen gangenstelsel in zijn regio gelezen. Vlak buiten de stad bevond zich vroeger een kalkzandsteengroeve en als zijn informatie klopt, werden de gangen van die groeve later als stortplaats voor beenderen gebruikt. De lokale begraafplaats is al eeuwen te klein en moest regelmatig worden geruimd. Ruimen gebeurt in opdracht en geroutineerd, dat is altijd zo geweest. Sieraden of andere kostbare bezittingen werden dikwijls over het hoofd gezien. Ook daar las Richard over. Hij wil nu uitvoerig onderzoek in het gangenstelsel doen. Richard weet dat er één toegangsdeur bestaat en om die nauwkeurig te lokaliseren, heeft hij een kopie van een historische kaart nodig. Die kaart, van 200 jaar oud, ligt nu op hem te wachten.

Hoefnagel heeft echter haast. Een overleg, over hologrammen op persoonsbewijzen, is direct ná de lunch gepland. Hij wil de kaart die hem is toegezegd, ophalen en meteen weer terug gaan zodat hij op tijd voor zijn bespreking is.

Als Hoefnagel op de stenen balie van het archief afloopt, ziet hij tot zijn ergernis een kartonnen bordje waar met viltstift ‘gesloten’ op geschreven is. In het gebouw lijkt niemand aanwezig. Hoefnagel ziet de enveloppe liggen en durft die niet te pakken. Met tegenzin besluit hij op het belletje te slaan. Hij wacht even en als er niets gebeurt, slaat Richard nog een keer, nu veel harder.
Dan hoort Hoefnagel tot zijn opluchting de vertrouwde klimaatdeur openschuiven. Er loopt iemand op hem af die hij nog niet eerder heeft gezien. De jonge man ziet er onberispelijk uit. Hij gaat pontificaal voor de balie staan en kijkt Hoefnagel strak aan.
Hij wijst naar het bordje ‘gesloten’.
Richard weet niet goed hoe hij moet reageren. Hier heeft hij zich niet op voorbereid. Als de jongeman weg wil lopen, wijst Richard naar de bruine enveloppe waar zijn naam op staat. De jongen pakt de enveloppe en bekijkt deze uitvoerig. Dan overhandigt hij hem aan Richard. Op het moment dat die de enveloppe pakken wil, trekt de jonge ambtenaar de enveloppe terug. Dat herhaalt zich een paar keer. Zo staan ze een halve minuut tegen over elkaar en Richard is steeds te laat. Hij probeert de enveloppe te pakken en grijpt alsmaar in het luchtledige.
Het bloed stijgt naar zijn hoofd en voor hij er erg in heeft, verheft Richard zijn stem.
‘Hier met die enveloppe! Kleuter! Godverdommesse Treiterkop! Vuile Schoft!
De jonge ambtenaar kijkt Richard, die op zijn tenen staat, geamuseerd aan. Hij houdt de enveloppen boven zijn hoofd, grijnst, draait zich om en loopt zacht fluitend het archief in. De klimaatdeur gaat open en dicht. Dan keert de stilte terug.

Hoefnagel zijn benen voelen slap, zijn mond is droog en hij realiseert zich tot zijn ontzetting dat hij een enorme fout heeft gemaakt. Hij heeft een ambtenaar tegen zich in het harnas gejaagd. Ondanks zijn plooibaarheid heeft hij zich niet weten te beheersen. Deze aanvaring kan weleens vervelende gevolgen hebben, zijn relatie met het archief staat op het spel. Zijn ergernis heeft plaatsgemaakt voor nerveuze angst. Hij kijkt vertwijfeld naar de lege balie en loopt zachtjes weg, bang om geluid te maken. De bijeenkomst van zijn afdeling, waar hij die middag net op tijd bij aanschuift, gaat volledig aan hem voorbij.

Het persoonlijk onderhoud dat Hoefnagel met de chef gemeentearchief schriftelijk heeft aangevraagd, vindt vier dagen later plaats. Het leek Hoefnagel de enige manier om het voorval te repareren. Omdat de jonge ambtenaar op verzoek van Hoefnagel bij het gesprek aanwezig zal zijn, heeft Hoefnagel iets voor hem uitgezocht, een zeldzaam antiquarisch boek met essays over Identiteit, Artefacten en Opgravingen, een monument uit zijn zorgvuldig bijeengezochte verzameling. Hoefnagel wil met zijn genereuze gebaar voorkomen dat er een machtsspel ontstaat. Dat is een spookbeeld, want na zijn pensionering moet hij zijn toegangspas inleveren en zal het op relaties aan komen. Zonder het archief zal hij zijn droom niet kunnen verwezenlijken.

De nieuwe chef gemeentearchief blijkt buitengewoon vaardig in het rechtstrijken van plooien. Tot vreugde van Richard, spreekt hij de jonge ambtenaar, die zich als Maurits Steketee heeft voorgesteld, aan op zijn gedrag. De verklaring voor zijn eigen gedrag, haast, en het oprechte excuus dat Hoefnagel maakt, neemt de jonge archivaris zonder een spier te vertrekken voor kennisgeving aan. Hij toont zich wel blij met het boek.
‘Mensen zijn altijd op zoek geweest naar identiteit en het is aan de archeologie dat dit ontsloten wordt’, zegt hij en dat blijkt meteen het eind van het gesprek. Ze gaan handenschuddend uit elkaar.

De kaart haalt Hoefnagel die namiddag bij het archief op. Er staan veel meer details op dan hij dacht en het vinden van de toegang naar de groeve wordt bijna een obsessie. Grote opwinding maakt zich van Hoefnagel meester als hij op een maandag, met een uitzichtloze werkweek voor de boeg, een briefje vindt. Het is persoonlijk aan hem gericht en ondertekend door de jonge ambtenaar. Deze vraagt Richard met spoed langs te komen omdat hij iets gevonden heeft dat voor Hoefnagel van groot belang kan zijn.

Aan het eind van die maandagochtend loopt Richard Hoefnagel nerveus naar het archief. Hij heeft een voorgevoel en doorgaans kan hij daar op vertrouwen. Er staat iets bijzonders te gebeuren. Op het archief treft hij  Maurits Steketee, die achter de balie zit te wachten. Zijn collega’s zijn er niet.
‘Een tweedaagse over het digitaliseren van bestanden, de verwerking en opslag’, zo legt hij uit.
Maurits Steketee blijkt onder de indruk van het boek dat Hoefnagel hem gegeven heeft en dezelfde passie voor opgravingen te delen. Hij is de kleinzoon van een bekend amateur archeoloog. Hoefnagel kent deze goed en verslindt al jaren zijn vuistdikke boeken. Maurits vertelt uitvoerig over een aantal indrukwekkende vondsten in Frankrijk en zijn voorkeur voor opgravingen in kalkzandsteen, zijn passie. Dan neemt het gesprek een onverwachte wending.

Maurits kijkt samenzweerderig om zich heen. Hij laat zijn stem zakken en vraagt Hoefnagel met klem om absolute geheimhouding, iets dat hij direct toezegt. Vervolgens haalt de jongeman een enveloppe onder de balie vandaan en schuift deze tergend langzaam naar Hoefnagel toe.
‘Dit is voor jou, als tegenprestatie voor het inspirerende boek dat ik van je kreeg. Maar denk eraan, mondje dicht’!
Hoefnagel pakt de enveloppe en voelt iets zwaars. Even later houdt hij een antieke sleutel en een bouwtekening in zijn hand en kijkt hij Maurits stomverbaasd aan.
Maurits grijnst.
‘Aan de rand van de stad staat een oud kerkje. Het is vervallen maar mag niet worden gesloopt. Het is een monument want het is gebouwd door Hendrik Dansdorp’.
‘Die Waterstaat architect?’, vraagt Richard opgewonden.
‘Precies! Ik moest laatst een sloopvergunning verwerken en raakte aan de praat met een collega. Die vertelde over jouw interesse in het gangenstelsel en ik ben op onderzoek uitgegaan.Het kerkje is op die gangen gebouwd. Kijk eens op de bouwtekening’
Bleek van opwinding vouwt Hoefnagel de tekening uit. Hij kent het kerkje en was er eerder, maar vond niks.

‘Ergens in die kerk is een deur die naar de gangen leidt. Niemand weet dat. Behalve jij en ik! Wij hebben de sleutel van die deur en deze bouwtekening wijst ons de weg. Zaterdag gaan wij er naar toe. Als je dit aan niemand verteld tenminste. Ik heb de sleutel even geleend. Er staat beneden in de kelder een kist met troep uit die kerk. De sleutel lag onderop. In een doosje met doodshoofd. Dat lijkt mij een aanwijzing. Kan ik vertrouwen op jouw integriteit? Ik zit nog in mijn proeftijd en ik heb iets gedaan wat natuurlijk helemaal niet mag!’
Hoefnagel benadrukt zijn onkreukbaarheid. Hij spreekt een tijd met Maurits af en geeft hem een hand.

Er komt geen einde aan de week en vrijdagavond gaat Hoefnagel op van de zenuwen om half tien naar bed. Zijn rugzak met spullen heeft hij klaar gelegd en zijn telefoon wordt opgeladen.
Bij het ontbijt zwijgt Hoefnagel over zijn bestemming. Hij beperkt zich tot de mededeling dat er iets staat te gebeuren dat ingrijpende gevolgen voor zijn leven zal gaan hebben.
‘Ik ga trouwens lopen’ zegt hij als hij afscheid neemt, ‘de kop moet fris’.
Hij geeft zijn vrouw een kus en gaat de deur uit. Zijn kleine schepjes, troffeltjes en kwasten rammelen vertrouwd in zijn rugzak.

Een uur later staat Hoefnagel bij het kerkje uit te rusten. Het waait en het is koud, zeker voor de tijd van het jaar. Hoefnagel kijkt om zich heen. Het kerkje staat op een dorre vlakte, vol hopen zand, resten van oude huizen, grote stukken puin en uitgebrande autowrakken. De ramen van het kerkje zijn ingegooid, muren zijn beklad en het dak is half ingezakt. Hoefnagel schrikt op als iemand aan komt lopen. Het is zijn collega archeoloog van het gemeentearchief.
Maurits groet Hoefnagel amicaal en checkt nadrukkelijk of niemand van de afspraak weet. Hoefnagel benadrukt nogmaals zijn integriteit en voelt voor de zoveelste keer of hij de sleutel bij zich heeft. Hij vouwt de kaart voorzichtig open en kijkt er ingespannen op. Maurits is naast hem komen staan. Hoefnagel tikt met zijn vinger op een plek waar vaag wat treden lijken getekend. Hij draait de kaart een paar keer om.
‘Kijk. Jij en ik staan hier. Dit is het noorden. Als dat inderdaad trappen zijn, dan moet zich daar bij die preekstoel een deur bevinden’!
Hoefnagel loopt het kerkje binnen en wijst naar een ronde, stevige en half afgebroken eikenhouten zuil. Er staan delen van een dakje tegenaan. Ze lopen er naar toe. Glas knarst onder hun voeten. Een kraai schrikt op en vliegt weg. Maurits pakt de arm van Hoefnagel. Hij lijkt een beetje bang.
‘Hemel wat is het hier griezelig, Richard. Je zult je been maar breken en hier achterblijven. Niemand die je vindt!’
Hoefnagel trekt fanatiek een paar oude houten panelen weg. Hij zet zijn leesbril op. Hij onderzoekt de dikke eikenhouten wanden, zijn handen glijden erlangs. Ineens kijkt hij Maurits opgewonden aan. Hij vraagt om wat licht. Maurits knipt een lampje aan en Hoefnagel ziet een sleutelgat. Hij glimlacht, pakt de sleutel uit zijn broekzak, steekt die in de opening en draait de sleutel langzaam rond. Het lukt. Hoefnagel voelt dat de massieve deur beweegt. Hij haalt diep adem en duwt de deur langzaam open.
Een muffe wind blaast in zijn gezicht. Hij roept ‘hallo’ en het klinkt hol. Hoefnagel vraagt het lampje van Maurits en zet een stap naar binnen. Hij schijnt voor zich uit. Hij ziet een stenen trapje dat naar beneden gaat. Op de grond, in een kleine ruimte, liggen beenderen, schedels, stukken van een bekken en een kaak. Hoefnagel huivert. Zo’n beklemmende leegte heeft hij niet eerder gevoeld. Hij loopt langzaam het trapje af. Beneden is het laag. Stukjes steen vallen op zijn hoofd.

Dan ziet hij wat liggen. Hij bukt. Tot zijn grote blijdschap vindt hij een kleine tinnen lepel. Ernaast ligt een aardewerken scherf. Verderop een oude, handgeblazen fles, weer verderop een kleine leren schoen. Hoefnagel rilt. Hij doet zijn rugzak af, zakt door zijn knieën en pakt zijn gereedschap.

Op dat moment hoort hij dat de deur wordt dichtgetrokken. Het slot wordt omgedraaid en er worden zware spullen tegen aan gezet. Het is plotseling stikdonker. Hoefnagel denkt aan een grap en begint te lachen. Hij roept de jonge ambtenaar. Maar die reageert niet. Er gebeurt niets. Helemaal niets. Het is doodstil.

Als Hoefnagel even later schor geschreeuwd op het trapje is gaan zitten, moet hij toegeven dat hij zich ernstig in zijn collega heeft vergist. Hoefnagel heeft de ruimte onderzocht en een andere uitgang niet gevonden. Die is er niet. Hij zit in een kleine kelder, een soort put, vol beenderen en stof. Zou Maurits dat geweten hebben? Komt ie straks misschien terug? Wilde hij Hoefnagel een lesje leren? Op zijn plaats zetten? Hoefnagel komt er niet uit.
Na een paar uur krijgt hij het koud. Het flesje water dat hij bij zich had is bijna op. Het lampje geeft nauwelijks nog licht. Hoefnagel luistert of hij iets hoort, maar hij hoort niets, alleen zijn eigen adem.
Hij gaat het trapje op en trekt aan de deur. Er is geen beweging in te krijgen. Hij schopt, maar de deur is veel te dik, er gebeurt niks. Hij gaat weer op het trapje zitten en doorzoekt zijn rugzak voor de vijfde keer. Weer schudt hij die leeg. Ook zijn jaszakken keert hij nogmaals binnenstebuiten, maar hij vindt niet wat hij zoekt.
Met groeiende paniek weet hij ineens zeker dat hij vanochtend vroeg in alle opwinding zijn telefoon aan zijn oplader heeft laten liggen.

Als de deur twee dagen later open draait en Hoefnagel knipperend met zijn ogen, verdwaasd, onderkoeld en uitgedroogd naar buiten kruipt, ziet hij niemand. Het kerkje is stil en leeg.
Op weg naar huis weet hij niet of hij terug zal keren naar zijn werk, vervroegd pensioen zal vragen of op zoek zal gaan naar een andere hobby.

copyright © Flourishh 2015

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *